Exoskelet

Ardif, Tweede Goudsbloemdwarsstraat, A’dam

Op Goodreads houd ik bij welke boeken ik lees, gelezen heb en nog wil lezen. Een vriendin beweerde eens dat je met al dat lezen het echte leven ontwijkt. Ik vind dat ik er al lezend – potlood bij de hand, altijd – juist extra leven bij krijg. Ook als ik wandel, heb ik vaak een luisterboek in mijn oren.

Er zijn grenzen: als ik met mijn vriend wandel, gaan de oortjes uit. Zoals laatst, in Boekesteyn. Stef en ik maken steeds dezelfde wandeling, langs hetzelfde weiland, naar hetzelfde bankje bij dezelfde enorme gespleten eik, door hetzelfde veldje met bramen, naar dezelfde kathedraal-achtige boslaan met beuken. Ik wil een stevig bekabelde herinnering en op deze manier creëer ik die.

Na afloop rijden we terug, door een drassig landschap bij Naarden. We moeten hier eerder hebben gereden, op weg naar Amsterdam, maar ik herinner me dit beeld niet. Was ik er wel bij met mijn hoofd? En zo nee, waar was ik dan wel? Ik neem me voor dit beeld niet te vergeten. Anders is het zonde. 

 ‘We zijn allemaal schimmen, met verhalen bekleed spul,’ lees ik in Sander Kollaards roman Over het leven van een hond. Dat klopt, denk ik. Een drietrapsraket van herinneringen, verhaal en identiteit. De herinneringen dienen om het levensverhaal en het ik-gevoel te stutten. Een verhaal dus, met aan het begin, in het midden en aan het eind hetzelfde personage. 

IC-verpleegkundige Henk, hoofdpersoon uit Kollaards roman, is net als ik een fanatieke lezer. Hij leest te veel, denkt hij, als hij in een boekhandel overvallen wordt door de sensatie als zand uiteen te vallen: ‘Er is zo weinig, beseft Henk, dat Henk bij elkaar houdt’ (p. 40). Waar blijft de Henkerigheid? 

Hij heeft lang gedacht dat zijn gebrek aan soliditeit een gevolg was van zijn leeslust. Door te lezen, zo redeneerde hij, drong hij door in de denk- en gevoelswereld van andere mensen. Dat voedde zijn empathie maar verwaterde de eigen persoonlijkheid. […] Zijn Henkerigheid werd op het altaar van zijn leeslust geofferd aan Hamletterigheid, Raskolnikoverigheid en Bloomerigheid. (Kollaard, p. 41)

Waar de verwatering van Henkerigheid in Kollaards roman nog redelijk goedmoedig aan de orde wordt gesteld, gebeurt iets dergelijks in de rauwe Napolitaanse romans van Elena Ferrante een tikje grimmiger: 

Op 31 december 1958 beleefde Lila haar eerste moment van ‘ontmarginalisering’, waarop de randen van de mensen en de dingen plotseling oplosten. (Ferrante, p. 85)

Volgt een beschrijving van duistere figuren, schreeuwende jongens, misselijkheid en afschuwwekkende chaos. Die psychische toestand, waarbij de marges van mensen en dingen verdwijnen, en waarbij een soort depersonalisatie optreedt, vormt daarna een terugkerend fenomeen in de Napolitaanse reeks.

In die nieuwjaarsnacht was het [Lila] voor het eerst overkomen dat ze onbekende wezens voelde die de contouren van de wereld oplosten en de angstaanjagende aard ervan lieten zien. (Ferrante, p. 87)

Die permanente marges (van de wereld, van ieders persoonlijkheid) zullen een illusie zijn, ongetwijfeld, maar wel een illusie die ik koester. Tegen beter weten in verblijft er in mijn hoofd een Sarah-homuncula – dezelfde die er altijd al zat. 

Wat houdt mij bij elkaar? Mijn eigenschappen? Familie en vrienden? Mijn (onbetrouwbare) herinneringen? Of toch vooral mijn boeken? Misschien dat laatste, als ik Kollaard moet geloven (in de woorden van Henk aan zijn nieuwe liefde Mia, p. 139):

Mijn boeken […] staan vol met aantekeningen, een schaduwtekst van haken, streepjes, uitroeptekens en andere symbolen […]. Het is in beginsel mogelijk, denk ik soms, om met die schaduwtekst als bron de geschiedenis van mijn identiteit gedetailleerd in kaart te brengen. Al dat gekrabbel telt op tot een verhaal. Ik. Henk. Ik heb lang gedacht dat mijn identiteit uitvloeide in de boeken die ik las, ongeveer zoals inkt in water, maar tegenwoordig denk ik dat mijn boeken mij juist duidelijke lijnen geven. Ze vormen een drukverband dat het leegbloeden van mijn geheugen tegengaat, een exoskelet dat het verval van mijn lichaam compenseert. Ze geven mij vorm en substantie. Ze geven mij Henkerigheid.

Wat ik lees geeft mij vorm en substantie, inderdaad. Mijn onderstrepingen en leeslijst als de contouren van mijn persoonlijkheid. Sarigheid, uiteindelijk. Daar kan ik mee leven.