Rooksignalen

W.F. Hermans, De laatste roker. Detail omslag.

Mijn rookverslaving is verleden tijd, gelukkig, maar ik heb niets met de moraliserende aversie van ex- en anti-rokers. Aanvankelijk was ik dus ook niet van plan te gaan kijken naar Zomergasten, vorige week, met longarts Wanda de Kanter. Ik had geen zin in weer zo’n kruistocht. (Een begrijpelijke kruistocht, maar toch). Ik bleef niettemin kijken en het was niet slecht.

Zou Wanda de Kanter de poëzie van Rutger Kopland kennen?

Ken je het verlangen naar een sigaret, /
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Ja, dat ken ik. Ooit was ik ook zo’n hartstochtelijke roker. Net als de verteller uit De laatste roker van W.F. Hermans, verlangend naar zijn verboden Gauloise.

Hans Castorp, hoofdpersoon uit De Toverberg van Thomas Mann, schaamt zich ook niet voor zijn tabaksliefde:

‘Ik begrijp niet dat iemand niet roken kan – hij berooft zich, om zo te zeggen, van het beste deel van zijn leven of in elk geval van een eminent genoegen! Als ik wakker word verheug ik me erop dat ik weer een dag kan roken, en als ik zit te eten verheug ik me er wéér op, ja, ik kan je vertellen dat ik eigenlijk alleen maar eet om te kunnen roken, ook al overdrijf ik nu een beetje. Maar een dag zonder tabak, dat zou voor mij het toppunt van saaiheid zijn, een volkomen lege en onaantrekkelijke dag, en als ik ’s ochtends zou moeten zeggen: vandaag valt er niets te roken, zou ik, denk ik, niet de moed opbrengen om op te staan, echt, ik zou blijven liggen […]’

Dat mag nu niet meer, zo onbevangen, ongedwongen enthousiast zijn over je sigaret.

Volgens antirookgoeroe Allan Carr vindt iedereen roken eigenlijk vies, en bestaat de craving naar een sigaret alleen uit de behoefte de ontwenningsverschijnselen die door het roken zelf ontstaan zijn, op te heffen. Hoe vreselijk Amerikaans het ook klinkt, volgens mij heeft Carr gelijk.

Dat geldt althans de verslaving. Bij mij resteert, ook nu ik niet meer rook, een vaag romantisch sentiment. Niet bij een overvolle asbak, wel bij een vluchtig sigaretje van een voorbijganger.

Zeker als het een kretek-sigaret is. Als ik die ruik ben ik weer met mijn moeder in Indonesië. Mijn moeder droeg een tulband en draaide een sjekkie in Jakarta. Niemand draaide sjekkies daar, zij was de enige. Al was ze niet de enige die rookte: alle mannen liepen continu met kretek-sigaretten. De lucht was verzadigd van kruidnagelrook.

Als de verslaving doorbroken is dan blijft alleen de nostalgie van rokende filmsterren, mistige kamers, kringelende damp. Rook doet denken aan mist over een landschap, en alleen de grootste cynicus weerstaat zoiets.

Ik vermoed dat er bij dat nostalgische gevoel iets anders in het brein gebeurt dan bij een craving. Zijn er bij verslaving andere stofjes betrokken dan bij nostalgische gevoelens? Of is het allemaal een vorm van heimwee?

Het gaat uiteindelijk om verlangen. Zie de laatste regels van dat gedicht van Kopland:

Het verlangen naar een sigaret is /
het verlangen zelf