Doen niet doen

Mellac, Finisterre, Bretagne

In 2019 had ik een kaartje voor het alternatieve Schrijversbal in De Kring. Bij de ingang moest ik een dichtregel opzeggen voordat ik naar binnen mocht. Ik koos een regel van Maria Barnas, uit het gedicht Wat we zagen:

Ik heb een hert lang aangekeken.

Soms is er een dichtbundel waar ik echt van ga houden, zoals Nachtboot van Maria Barnas. Het gedicht Wat we zagen heb ik al vaak gelezen, en het blijft mysterieus. Ik zou het liefst het hele gedicht hier plaatsen maar ik citeer nu de eerste strofe voor een indruk. 

Het was voorbij het omkrullende rafelblad 
buitensporig lichtgroen in het donker 
van de bomen met witte schilfers op de stam. 

We bevinden ons in dit gedicht op blote voeten in een sprookjesbos met mos en varens. Er wonen zussen in het bos die leven van bessen en dieren en spreuken. Een keten van vergelijkingen komt uit op een ontmoeting met een hert.

Ik heb ook zo’n ontmoeting meegemaakt. Tijdens een boswandeling in Bretagne troffen mijn vriend en ik een hert, dat midden op het pad stilstond. Ik hield meteen stil; Stef, op anderhalve meter afstand naast mij, ook. We hoefden niet te bewegen of te praten om te weten dat we hetzelfde zagen: het hert dat ons aankeek. 

Je kunt een hert niet lokken, hooguit proberen het niet weg te jagen. Dat deden wij: niet bewegen, geen geluid maken, zelfs nauwelijks ademen. Toch schoot het dier ineens met grote sprongen weg. Wij liepen verder door het bos in Finisterre, door de halfschaduw van allerlei bomen waar ik de soortnamen niet van ken (behalve van die met die witte schilfers op de stam: dat zijn berken).

Het schrijversbal van 2019. Ik twijfelde nog of ik zou gaan, ik had al maanden last van rugklachten. Niets leek te helpen: lopen en liggen, zei de huisarts; deze oefeningen, zei de fysiotherapeut. Ik deed het allemaal braaf. Het was misschien niet verantwoord om met die klachten te gaan drinken en dansen. Maar mijn onvoorzichtigheid bleek juist heilzaam. Het feest vormde het begin van mijn herstel.

Dit jaar is alles anders. Geen schrijversbal: ik had wel een kaartje, maar ook een kuchje, en dus ging ik niet. De week erna wiste alles in mijn agenda zich vanzelf. Nu is voorzichtigheid geboden. Ik ga nauwelijks naar buiten, spreek met niemand af en houd afstand. De Chinese Tao Te Ching spreekt over Wu Wei: doen door niet te doen. 

Tao is eeuwig nietdoende en toch is er niets dat het niet doet.

Dit sluit aardig aan bij de eisen van deze tijd. Als het moet, houd ik die intelligente lockdown rustig nog een jaar vol. Langer, als het moet. Dan kan ik nog stiller worden. Bevriezen als een hert. Alleen weet ik nog niet hoe ik ga bewegen als het eenmaal voorbij is.